OpenClaw duikt steeds vaker op in online controverses. De een ziet het als een logische volgende stap om een persoonlijke AI-agent te maken die eindelijk méér doet dan samenvatten en suggesties geven. De ander schrikt juist van wat het betekent: een stuk software dat in staat is om een volledige computer te bedienen, inclusief e-mail, software-installaties en online transacties. Wie heeft er gelijk?

Allereerst: wát is OpenClaw? Het is een open-source framework waarmee gebruikers AI-agents kunnen bouwen die zelfstandig taken uitvoeren op een systeem. Het is dus geen chatbot of assistent die meekijkt en adviezen geeft, maar om software die daadwerkelijk handelt. Een OpenClaw-agent kan bestanden lezen en schrijven, scripts uitvoeren, browseracties verrichten en API’s aanspreken. In de praktijk betekent dat: alles doen wat een gebruiker zelf ook kan doen, zolang die agent dezelfde rechten krijgt.

Dat laatste is dan ook waar de discussies om draaien. OpenClaw draait lokaal, in de context van de gebruiker. Geen sandbox dus, maar ook geen afgebakende cloudomgeving, én geen leverancier die meekijkt of begrenst. De agent opereert met jouw toegang, jouw accounts en als het nodig is, ook met jouw creditcard- of bankgegevens. Daarmee verschilt OpenClaw fundamenteel van commerciële AI-diensten zoals Copilot of ChatGPT, waar de actieruimte bewust is ingeperkt. Bij OpenClaw ligt die verantwoordelijkheid volledig bij de gebruiker.

Het is dus niet zo raar om te denken dat OpenClaw eigenlijk een rootkit is. Technisch gaat die vergelijking niet helemaal op. OpenClaw verbergt zich niet, installeert zich niet heimelijk en misbruikt geen kwetsbaarheden. Maar in de praktijk kan het zich wél gedragen als software met volledige systeemcontrole, als je het die ruimte geeft. En dat maakt het gevaarlijk voor wie zich daar niet van bewust is.

De controverse zit ook in wat vaak de ‘intent gap’ wordt genoemd. Mensen formuleren opdrachten in menselijke termen, met impliciete grenzen en aannames. “Automatiseer dit proces” betekent – in mensentaal – doe dit netjes, veilig en binnen redelijke grenzen. Voor een agent als OpenClaw betekent het iets anders: bereik dit doel zo efficiënt mogelijk, binnen de technische mogelijkheden die je hebt. Je ziet al meteen waar het fout kan gaan. Zonder expliciete beperkingen is er geen reden voor de agent om terughoudend te zijn met privacy en gevoeligheden.

Dat maakt OpenClaw tegelijk interessant en gevaarlijk. Technisch gezien opent het deuren die tot nu toe alleen met maatwerk of complexe scripting bereikbaar waren. Repetitieve taken kun je volledig automatiseren, workflows zelfstandig laten doorlopen en lokale data kun je laten combineren met externe bronnen zonder menselijke tussenkomst. Voor ontwikkelaars, onderzoekers en technisch vaardige gebruikers is dat aantrekkelijk, want het is geen dichtgetimmerd platform.

Maar OpenClaw is ook genadeloos. Het heeft geen moreel kompas, geen juridisch besef en geen ingebouwd gevoel voor context. Het begrijpt geen bedoelingen, alleen opdrachten. Wie het inzet in een omgeving waar gevoelige data, financiële systemen of productieprocessen toegankelijk zijn, neemt een risico dat niet theoretisch is. Onbedoelde datalekken, foutieve transacties of ongewenste acties kunnen het gevolg zijn.

Daar komt bij dat OpenClaw zich beweegt in een open-source ecosysteem waar uitbreidingen, scripts en modules een steeds grotere rol spelen. Dat vergroot de flexibiliteit, maar ook de aanvalsvector. Elke extra koppeling is een potentiële zwakke schakel. Zeker wanneer experimenten plaatsvinden op systemen die net iets te veel rechten hebben, iets wat in de praktijk vaker voorkomt dan veel organisaties willen toegeven.

Zelfs de naam verraadt iets van die mentaliteit. ‘Claw’ suggereert grijpen: vastpakken en niet loslaten. Dat zie je ook terug bij andere lokale AI-projecten zoals ClawDBot, die eveneens inzetten op actieve verzameling en autonomie. Het is een bewuste breuk met termen als assistant of copilot. De AI helpt niet alleen, maar handelt namens de gebruiker en neemt wat nodig is om zijn doel te bereiken.

Voor msp’s is het nog niet oppassen geblazen, maar wel een zaak om je erin te verdiepen. OpenClaw is een technologie die klanten hoe dan ook gaan ontdekken. Vaak met de gedachte dat lokaal en open source automatisch veilig betekent. In werkelijkheid vraagt dit type agent juist om volwassen governance: duidelijke afspraken over rechten, logging, monitoring en aansprakelijkheid.

Een verbod ligt niet voor de hand en zou ook weinig realistisch zijn. Agentic AI is de richting waarin tooling zich ontwikkelt. De rol van de msp zit daarom niet in blokkeren, maar in begrenzen. Signaleren waar dit soort software opduikt, uitleggen wat de implicaties zijn en soms ook gewoon zeggen dat iets in een zakelijke omgeving niet verantwoord is.

 

De beoogde coalitie heeft vandaag het nieuwe coalitieakkoord gepresenteerd. Daarin krijgt digitalisering een prominente plek, met plannen voor strengere IT-regie, meer Europese autonomie en forse investeringen in AI en infrastructuur. Een aparte minister voor Digitale Zaken komt er niet, maar de impact op de IT-markt is groot.

Digitalisering krijgt in het nieuwe coalitieakkoord een centrale plek, maar wie had gehoopt op een aparte minister voor Digitale Zaken komt bedrogen uit. Het beoogde kabinet kiest niet voor een nieuwe bewindspersoon, maar voor strakkere regie via bestaande ministeries, met name Binnenlandse Zaken, en de oprichting van een Nederlandse Digitale Dienst. Tegelijkertijd legt het akkoord de lat voor overheid en markt hoger: meer Europese autonomie, strengere IT-standaarden, zwaardere cybersecurity-eisen en forse investeringen in AI en infrastructuur.

Digitalisering als strategisch dossier

In het hoofdstuk Nederland koploper in een digitale wereld maakt het kabinet duidelijk dat digitalisering niet langer wordt gezien als ondersteunend beleid, maar als strategisch instrument. Technologie raakt volgens de coalitie direct aan nationale veiligheid, economische slagkracht en de democratische rechtsstaat.

Nederland en Europa zijn volgens het akkoord te afhankelijk geworden van een klein aantal buitenlandse techspelers. Die afhankelijkheid maakt het land kwetsbaar, zeker nu technologie steeds vaker wordt ingezet als geopolitiek machtsmiddel. De dagelijkse cyberaanvallen op overheid en bedrijven worden expliciet genoemd als reden om digitale autonomie serieuzer te nemen. Nederland moet koploper worden in “verantwoorde digitale innovatie”, met sterke Europese ecosystemen rond cloud, data, AI en infrastructuur.

Geen minister voor Digitale Zaken

Opvallend is dat het kabinet geen aparte minister of staatssecretaris voor digitalisering instelt. In plaats daarvan blijft de coördinatie grotendeels bij het ministerie van BZK liggen, dat al verantwoordelijk is voor de Rijksdienst en overheids-ICT. Wel wordt een nieuwe Nederlandse Digitale Dienst opgericht. Die moet rijksbreed digitalisering ondersteunen, kwaliteitsstandaarden opstellen en zorgen dat grote IT-projecten beter worden ingericht. De dienst krijgt volgens het akkoord ook “doorzettingsmacht”, wat moet voorkomen dat projecten vastlopen in bestuurlijke versnippering. Voor de markt betekent dit meer centrale sturing en minder ruimte voor losse eilandoplossingen.

Digitale overheid wordt strengere opdrachtgever

Het coalitieakkoord bevat een uitgebreid pakket aan maatregelen om de digitale overheid professioneler te maken. Daarbij ligt de nadruk op standaardisatie, veiligheid en autonomie. Zo wordt digitale autonomie het uitgangspunt. De overheid wil strategische afhankelijkheden in cloud, data en kernsystemen doelgericht afbouwen en kiest nadrukkelijk voor Europese infrastructuur. Grote IT-projecten worden opgesplitst, zodat ook Nederlandse en Europese mkb-bedrijven kunnen meedingen.

Daarnaast worden inkoop en aanbestedingen verder gecentraliseerd en gestandaardiseerd. Security-by-design, zero trust, open source, soevereiniteit en ketenveiligheid worden leidende principes. De overheid wil haar marktmacht gebruiken om deze standaarden af te dwingen. Voor IT-projecten boven de vijf miljoen euro geldt voortaan een verplichte toets aan centrale IT-standaarden voordat financiering wordt toegekend. Dit maakt de overheid tot een strengere opdrachtgever. Leveranciers en dienstverleners zullen aantoonbaar moeten voldoen aan technische en security-eisen.

Minder afhankelijk van externe IT-partijen

Een ander speerpunt is het verminderen van de afhankelijkheid van externe IT-leveranciers en consultants. Het kabinet wil meer IT-specialisten in vaste dienst nemen en introduceert daarvoor een concurrerend salarispad. Ook worden ambtenaren breder geschoold in technologie en het gebruik van AI. Externe inhuur moet worden teruggebracht, onder meer door aantrekkelijkere loopbaanpaden voor technische specialisten binnen de overheid. Voor grote IT-dienstverleners die veel voor de overheid werken, kan dit op termijn betekenen dat delen van hun rol verschuiven. Tegelijkertijd blijft externe expertise nodig, maar onder scherpere voorwaarden.

Inhaalslag digitale dienstverlening

Het kabinet erkent dat de digitale dienstverlening achterblijft. Als voorbeeld wordt expliciet Estland genoemd. Alle overheidsdiensten moeten online toegankelijk worden, met oog voor toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid. Daarbij blijft ook ruimte voor telefonische en fysieke loketten, om te voorkomen dat digitalisering leidt tot uitsluiting. De modernisering van het ICT-landschap bij de Belastingdienst en Dienst Toeslagen krijgt prioriteit, mede als gevolg van eerdere uitvoeringsproblemen. Hier liggen kansen voor langdurige IT-trajecten, maar wel onder strakkere regie en met hogere eisen aan kwaliteit en governance.

Forse inzet op AI en infrastructuur

Economisch zet het kabinet zwaar in op digitale technologie. Nederland moet van ‘pilotland’ doorgroeien naar ‘opschaalland’, vooral op het gebied van AI.

Concreet worden onder meer genoemd:

  • de bouw van een AI-fabriek in Noord-Nederland
  • investeringen in Europese autonome datacenters
  • een nationaal AI-rekenkrachtplan
  • publiek-private investeringen in AI, cybersecurity, halfgeleiders, quantum en fotonica

Daarnaast wil het kabinet procedures voor digitale infrastructuur versnellen, zonder veiligheid en leefomgeving uit het oog te verliezen. Voor cloud- en infrastructuurpartijen biedt dit perspectief op grootschalige projecten, mits zij aansluiten bij de Europese en soevereiniteitsambities.

Cybersecurity krijgt centrale regie

Digitale weerbaarheid vormt een apart onderdeel van het akkoord. Cyberaanvallen, digitale spionage en desinformatie worden gezien als directe bedreigingen voor economie en democratie. Belangrijkste maatregelen:

  • snelle implementatie van NIS2
  • centrale regie op cybersecurity
  • gezamenlijke oefeningen met overheid, mkb en vitale sectoren
  • intensievere informatie-uitwisseling

Voor msp’s betekent dit dat compliance en security-volwassenheid steeds belangrijker worden. Niet alleen richting de overheid, maar ook richting zakelijke klanten. De verwachting is dat toezicht en handhaving de komende jaren strenger worden.

Wat betekent dit voor de IT-markt?

Het coalitieakkoord schetst een overheid die digitalisering serieuzer neemt dan voorheen, maar ook strakker wil sturen. Vrijblijvende experimenten maken plaats voor structurele kaders. Voor IT-dienstverleners en msp’s betekent dat:

  • meer nadruk op standaarden en certificering
  • hogere eisen aan security en governance
  • meer kansen rond AI, cloud en infrastructuur
  • minder ruimte voor maatwerk zonder duidelijke onderbouwing
  • zwaardere rol als compliance-partner voor klanten

De overheid positioneert zich nadrukkelijker als regisseur en launching customer, maar stelt daar ook harde voorwaarden tegenover.

Quantumcomputing wordt vaak nog gezien als een technologie voor de verre toekomst. Toch bereiden grote securityleveranciers zich inmiddels actief voor op een tijdperk waarin bestaande versleutelingsmethoden niet langer vanzelfsprekend veilig zijn. Dat bleek deze week tijdens een door Palo Alto Networks georganiseerde Quantum-Safe Summit, waar de impact van quantumtechnologie op digitale beveiliging centraal stond.

Volgens de aanwezige experts kunnen huidige encryptiestandaarden binnen enkele jaren onder druk komen te staan. Niet omdat quantumcomputers morgen al breed inzetbaar zijn, maar omdat cybercriminelen nu al versleutelde data onderscheppen met het oog op toekomstige ontsleuteling. Deze zogenoemde ‘harvest now, decrypt later’-aanpak maakt dat gevoelige informatie ook op langere termijn risico kan lopen.

Voor veel organisaties klinkt dat nog abstract. In de praktijk is post-quantum security voor de meeste mkb-bedrijven geen acuut probleem. Toch schuift het onderwerp langzaam richting strategische agenda’s, mede doordat toezichthouders en sectoren als finance en overheid zich hier al actief op voorbereiden. Leveranciers spelen daarop in door hun beveiligingsplatforms geschikt te maken voor toekomstige cryptografiestandaarden.

Palo Alto Networks presenteerde tijdens het evenement zijn zogeheten Quantum-Safe Security-aanpak, waarmee organisaties inzicht moeten krijgen in waar en hoe encryptie binnen hun omgeving wordt gebruikt. Volgens het bedrijf is dat nodig omdat beveiliging vaak diep verweven zit in applicaties, netwerken en legacy-systemen, waardoor aanpassingen niet eenvoudig zijn.

Een belangrijk aandachtspunt is dat veel bestaande systemen niet zomaar kunnen worden aangepast aan nieuwe standaarden. In zulke gevallen wordt gekeken naar aanvullende beveiliging tijdens datatransport, zonder dat onderliggende applicaties hoeven te worden vervangen. Daarmee ontstaat een gefaseerde aanpak: eerst inventariseren, daarna voorbereiden en pas later overstappen op nieuwe vormen van encryptie.

Voor msp’s en IT-dienstverleners is post-quantum security voorlopig vooral een onderwerp voor roadmapgesprekken en strategische advisering. Klanten zullen hier op korte termijn zelden concreet om vragen, maar audits, compliance-eisen en security-assessments kunnen het thema wel steeds vaker aanstippen. Wie nu al globaal begrijpt wat er speelt, staat straks sterker in gesprekken over lange termijnbeveiliging.

Cisco zet een grote stap in de modernisering van zijn wereldwijde partnermodel. Na veertig jaar komt het bedrijf met een volledig vernieuwde aanpak: het Cisco 360 Partnerprogramma, dat op 1 februari 2026 officieel live gaat. De veranderingen raken vrijwel alle partners die met Cisco werken. Comstor speelt in de Benelux een sleutelrol in de begeleiding en voorbereiding van partners op deze transitie. Judy Lempersz, 360 Ambassador bij Comstor, vertelt hoe dat traject eruitziet en waarom het nieuwe programma meer is dan een administratieve vernieuwing.

Cisco wil met het nieuwe 360 Partnerprogramma afrekenen met de complexiteit die in de loop der jaren is ontstaan. De huidige structuur met vier partnerniveaus – Registered, Select, Premier en Gold – verdwijnt. Daarvoor in de plaats komen twee duidelijke categorieën: Cisco Partner en Cisco Preferred Partner. De status van een partner wordt bepaald aan de hand van een score tussen nul en tien. “Een score van 7,5 of hoger betekent dat je als Preferred Partner wordt erkend,” legt Lempersz uit. “Die score geeft dus niet alleen de omvang van de samenwerking weer, maar ook de mate waarin een partner actief werkt aan lifecycle management, klanttevredenheid en diensten.”

Dat laatste vormt meteen de kern van het nieuwe programma. Cisco wil partners stimuleren om verder te kijken dan productverkoop. Lifecycle selling en managed services staan centraal: partners worden aangemoedigd om de volledige levenscyclus van een oplossing te beheren en te optimaliseren. Lempersz: “Het gaat er niet meer om dat je iets verkoopt, maar dat je klanten helpt om het ook daadwerkelijk te benutten. Als ze meer waarde halen uit hun oplossingen, leidt dat vaak vanzelf tot verlengingen of uitbreidingen.”

PXP als spil in de samenwerking

De introductie van het Cisco Partner Experience Portal (PXP) is onlosmakelijk verbonden met het nieuwe programma. In dit platform worden alle partneractiviteiten, scores en data samengebracht. Waar Cisco voorheen met meerdere portals en tools werkte, is PXP bedoeld als het centrale toegangspunt. “Het is echt een one-stop-shop geworden,” zegt Lempersz. “Alle informatie over prestaties, trainingen en certificeringen is daar te vinden. Zonder PXP kun je als partner eigenlijk niet meer goed functioneren binnen Cisco 360.”

Judy Lempersz | Foto’s: Steven van Kooijk

Comstor helpt partners om het platform effectief te gebruiken. De distributeur kan – met toestemming van de partner – via de zogenoemde DPV-verbinding (Distributor Partner View) meekijken in het PXP-dashboard. “Daardoor kunnen we partners proactief begeleiden,” vertelt Lempersz. “We zien bijvoorbeeld welke onderdelen nog aandacht vragen en kunnen helpen met prioriteiten stellen. Zo bouwen we samen aan een plan van aanpak richting die Preferred-status. 98 procent van de partners vindt dat prettig, juist omdat het de voortgang inzichtelijk maakt.”

Volgens haar is dat ook nodig, want de lat ligt hoog. “Cisco vraagt echt commitment van partners. Daarom werken we stapsgewijs, met concrete acties per fase. Partners krijgen van ons een duidelijk stappenplan waarmee ze gericht kunnen toewerken naar de go-live in februari.”

Trainingen en certificeringen

Een belangrijk onderdeel van het programma is de Customer Experience (CX) Specialisation. Partners die deze kwalificatie behalen, tonen aan dat ze lifecycle management in de praktijk brengen. Daarvoor zijn onder meer examens en trainingen vereist, waaronder die voor de rol van Customer Success Manager (CSM). Comstor heeft deze trainingen inmiddels in huis gehaald via opleider Global Knowledge. “Eind oktober zijn we gestart met de eerste tweedaagse training inclusief examen,” vertelt Lempersz. “We begonnen met een selecte groep van vier partners, maar het doel is om dit structureel uit te rollen zodat meer partners CX-gecertificeerd kunnen worden.”

De CX-specialisatie vormt volgens haar de start van de hele 360-reis. “Zonder deze basis is het lastig om de vereiste score van 7,5 te halen. De training helpt partners niet alleen aan kennis, maar ook aan inzicht in de klantrelatie. Dat past bij de koers die Cisco wil varen.”

Ook op het gebied van licentiemodellen verandert er veel. Enterprise Agreements (EA’s) – raamcontracten waarin licenties en services worden gebundeld – worden nadrukkelijk onderdeel van het programma. “Wie met EA’s werkt, verdient extra punten binnen Cisco 360,” legt Lempersz uit. “Daarom hebben wij bij Comstor een gespecialiseerd team dat partners hierbij ondersteunt. Het gaat niet alleen om verkoop, maar vooral om het goed inrichten van die contracten voor de lange termijn.”

Data als kompas

Het PXP-portaal biedt partners toegang tot een schat aan gegevens over hun klanten en prestaties. Zo kunnen ze hun zogeheten ‘wallet share’ analyseren: welk deel van de Cisco-omzet van hun klanten via hen loopt, en welk deel via andere partners. “Dat geeft waardevolle inzichten,” zegt Lempersz. “Partners kunnen zien waar kansen liggen of waar klanten mogelijk weglekken. Wij helpen hen om die data te vertalen naar concrete acties.”

Comstor gebruikt de inzichten uit PXP ook om partners te herinneren aan verlopende contracten of licenties. “We sturen proactief lijsten met aankomende renewals, zodat ze op tijd contact kunnen opnemen met klanten,” vertelt ze. “Daarnaast bespreken we vaak of een partner kan overstappen op een Enterprise Agreement, omdat dat meer stabiliteit biedt. Alles draait om voorspelbaarheid en continuïteit.”

Onderdeel van de onboarding

Het Cisco 360 Partnerprogramma geldt niet alleen voor bestaande partners. Ook nieuwe partners worden vanaf hun onboarding meegenomen in het traject. “Wanneer een bedrijf zich aansluit bij Comstor, nemen we ze direct mee in de 360-werkwijze,” zegt Lempersz. “We leggen uit wat het programma inhoudt, hoe PXP werkt en welke trainingen nodig zijn. Zo weten ze vanaf het begin hoe ze hun score kunnen opbouwen.”

Lempersz fungeert daarbij als vast aanspreekpunt. “Ik doe uitsluitend Cisco 360. Daardoor kan ik partners continu begeleiden, bijvoorbeeld bij het plannen van trainingen of het regelen van toegangsrechten in PXP. Soms organiseren we aparte Teams-sessies voor complete teams, of helpen we bij de voorbereiding op audits. Het is eigenlijk een heel breed traject waarin we partners stap voor stap meenemen.”

Blijvende ondersteuning

Cisco heeft zijn partners volgens Lempersz ruim de tijd gegeven om zich op de verandering voor te bereiden. “Sinds begin dit jaar zijn onderdelen van het programma gefaseerd ingevoerd, zodat iedereen kon wennen en feedback kon geven. Cisco heeft daar echt naar geluisterd. Ze hebben aanpassingen gedaan op basis van partnerinput en veel webinars en livesessies georganiseerd. In Amsterdam was bijvoorbeeld een grote sessie met het Cisco-team waar partners direct vragen konden stellen.”

Comstor organiseert zelf ook regelmatig bijeenkomsten. Zo vond eind september in Maarssen het Cisco 360 Partner Event plaats, met presentaties van zowel Cisco als Comstor. “Het was goed bezocht en de reacties waren positief,” zegt Lempersz. “Partners willen op de hoogte blijven, want de veranderingen zijn ingrijpend en raken hun hele bedrijfsvoering.”

De samenwerking tussen Cisco en Comstor krijgt bovendien een extra dimensie op het gebied van managed services. Lempersz verwijst naar de nieuwe white label SOC-oplossing die Comstor aanbiedt aan partners. “Voor partners die managed securitydiensten leveren, is dat een waardevolle uitbreiding. Bovendien telt het gebruik van zo’n dienst mee in de 360-score. Het laat zien dat een partner actief inzet op service en security.”

Nieuwe kansen voor partners en klanten

Het vernieuwde partnerprogramma biedt volgens Lempersz kansen op meerdere niveaus. Voor partners betekent het vooral meer inzicht en structuur. “Ze worden gestimuleerd om beter gebruik te maken van data, om actief met hun klanten in gesprek te blijven en om trainingen te volgen die hun dienstverlening versterken,” zegt ze. “Het programma dwingt tot professionalisering, maar levert daar ook veel voor terug.”

Voor eindklanten ziet ze indirect ook voordelen. “Omdat partners meer aandacht besteden aan de hele customer journey, krijgen klanten beter inzicht in wat hun Cisco-oplossingen allemaal kunnen. Vaak ontdekken ze functies die ze nog niet gebruikten. Daardoor stijgt de tevredenheid en de waarde die ze uit hun investering halen. Bovendien maakt het programma duidelijk welke partners echt gespecialiseerd zijn in bepaalde domeinen, zoals security of collaboration. Dat helpt eindklanten om gerichter te kiezen.”

Een gezamenlijke reis

Met het Cisco 360 Partnerprogramma maakt het bedrijf een duidelijke beweging richting eenvoud, transparantie en langdurige samenwerking. Comstor ziet het als haar rol om partners daarin te begeleiden – niet als eenmalige actie, maar als doorlopend proces. “Het stopt niet bij de go-live,” zegt Lempersz. “Het is een reis die doorgaat. De technologie verandert, de markt verandert, en partners groeien mee. Wij willen zorgen dat ze dat stap voor stap kunnen doen.”

Ze glimlacht: “Sommigen vinden het in het begin best veel, dat geef ik eerlijk toe. Maar als ze eenmaal zien wat het oplevert, ontstaat er enthousiasme. Dat is misschien wel het mooiste van dit hele traject: partners zien weer nieuwe kansen. En precies dat is wat Cisco met 360 voor ogen had.”

 

Veel organisaties denken dat ze hun databeheer op orde hebben zolang de back-ups netjes draaien. Er is een schema, er zijn meldingen, en af en toe wordt er iets teruggezet. Tot het moment dat er echt iets misgaat. Dan blijkt dat niemand precies weet wat er bewaard wordt, waarom het bewaard wordt, en hoe lang het eigenlijk had moeten blijven bestaan.

Die neiging om alles te bewaren staat niet op zichzelf; opslag is in veel organisaties jarenlang gegroeid zonder duidelijke keuzes, waardoor steeds minder helder is waarvoor data eigenlijk wordt bewaard.

Herkenbaar? Klanten vragen om zekerheid, maar bedoelen iets anders dan wat de techniek daadwerkelijk levert. Back-up, archief en dataretentie worden door elkaar gebruikt alsof het synoniemen zijn. Dat zijn ze niet. Het verschil wordt ook nog eens steeds relevanter, door strengere wetgeving, groeiende hoeveelheden data en de toenemende impact van incidenten.

Het misverstand

Hoe zat het ook weer? Back-up is bedoeld voor herstel. Het is een technische maatregel om data terug te kunnen zetten na verlies, corruptie of verstoring. Dat kan gaan om een per ongeluk verwijderde mailbox, een fout in een applicatie of een ransomware-incident. De focus ligt altijd op snelheid en beschikbaarheid: hoe snel kun je weer verder, en met zo min mogelijk dataverlies?

Back-up is dus niet een systeem om data langdurig, gestructureerd en doelgericht te bewaren. Toch zien veel organisaties back-ups als een soort vangnet voor alles wat ze ooit nodig zouden kunnen hebben. Oude projectbestanden, mailboxen van ex-medewerkers, historische administratie, klantdata die misschien ooit nog van pas komt. Alles blijft staan, want het kost weinig moeite en opslag kost niks meer.

En dat gaat heel lang goed, zolang niemand vragen stelt. Dan komt er een audit, een juridisch verzoek of er vindt een incident plaats waarbij blijkt dat herstel ingewikkelder is dan gedacht.

Drie verschillende begrippen

Even de begrippen op een rijtje.

Back-up draait om herstel. De vraag is, wat heb je nodig om operationeel weer door te kunnen na een storing of incident? De bewaartermijnen zijn meestal relatief kort en afgestemd op hersteldoelen. Denk aan dagen, weken of hooguit enkele maanden.

Archief gaat over bewaren met een doel. Data wordt vastgelegd omdat er een zakelijke, historische of wettelijke reden voor is. Het archief verandert niet (het groeit alleen), is doorzoekbaar en moet betrouwbaar zijn. Een archief is geen kopie van alles, maar een selectie van wat relevant is om te bewaren.

Dataretentie bepaalt hoe lang data mag of moet blijven bestaan. Geen techniek, maar een set afspraken dus. Sommige data moet jarenlang bewaard blijven, andere data mag juist niet te lang blijven staan.

Het probleem ontstaat wanneer deze drie door elkaar lopen. Als back-ups worden gebruikt als archief, ontbreekt structuur. Als retentie niet expliciet is vastgelegd, blijft alles staan. En als archivering wordt gezien als iets dat IT wel regelt, zonder afstemming met de business, ontstaan risico’s.

Alles bewaren ≠ strategie

Alles bewaren voelt veilig. Je weet nooit wat je nog nodig hebt, dus waarom zou je iets weggooien? Klinkt logisch, maar is in de praktijk riskant. Data groeit sneller dan veel organisaties beseffen. Niet alleen documenten en mail, maar ook logbestanden, exports, tijdelijke datasets en applicatiegegevens. Wat vandaag overzichtelijk lijkt, wordt over een paar jaar onhandelbaar. Dat maakt zoeken, herstellen en controleren steeds lastiger.

Daarnaast vergroot het bewaren van alles de impact van incidenten. Hoe meer data er is, hoe groter het oppervlak bij ransomware, datalekken of misbruik van accounts. Ook het herstel wordt complexer. Het terugzetten van een omgeving met jaren aan ongefilterde data kost meer tijd, meer capaciteit en meer geld.

Er zijn ook juridische risico’s. Data die je bewaart, kan opgevraagd worden. Data die je had moeten verwijderen maar nog steeds bezit, kan tegen je werken bij audits, rechtszaken of verzoeken van toezichthouders. Niet weten wat je bewaart, is geen verdedigbare positie.

Tot slot speelt kostenbeheersing een rol. Opslag lijkt goedkoop, maar back-ups, replicatie, egress-kosten en beheer tellen op. Zeker als bewaartermijnen ongemerkt steeds langer worden.

Data lifecycle management

Veel mkb-organisaties hebben geen expliciet data lifecycle management. Data komt binnen, wordt gebruikt en verdwijnt uit beeld, maar niet uit systemen. Als msp ligt hier een belangrijke rol: structuur aanbrengen zonder het onnodig ingewikkeld te maken.

Data lifecycle management begint bij een paar simpele vragen. Welke data maken we aan? Waar wordt die opgeslagen? Wie gebruikt die data actief? En wanneer verliest die data zijn waarde of noodzaak?

Op basis daarvan kun je onderscheid maken tussen actieve data, data die alleen nog geraadpleegd wordt, en data die eigenlijk geen functie meer heeft. Dat betekent niet dat alles meteen verwijderd moet worden, maar wel dat er keuzes gemaakt worden. Wat hoort in een archief, wat valt onder back-up, en wat moet na verloop van tijd verdwijnen?

Belangrijk is dat deze keuzes niet alleen technisch worden ingestoken. De business moet begrijpen waarom bepaalde data niet eindeloos beschikbaar blijft en wat daarvoor in de plaats komt. Een goed ingericht archief biedt vaak meer zekerheid dan een stapel oude back-ups waar niemand grip op heeft.

Juridische en operationele risico’s

Dataretentie raakt al snel aan juridische vragen, maar dat betekent niet dat elk gesprek juridisch hoeft te worden. Vaak gaat het vooral om een operationeel risico. Neem een medewerker die vertrekt. Mailboxen blijven vaak bestaan, soms jarenlang. Niemand weet precies wat erin zit, wie er toegang toe heeft en of die data nog nodig is. Bij een datalek of een inzageverzoek ontstaat ineens paniek.

Of klantdata die langer wordt bewaard dan nodig. Niet uit kwade wil, maar uit gemak. Dat kan botsen met privacyregels, maar ook met interne afspraken of contracten. Het ontbreken van een duidelijk retentiebeleid maakt het lastig om dit uit te leggen of te corrigeren.

Ook bij herstel na incidenten speelt dit mee. Als een omgeving teruggezet moet worden, is het belangrijk te weten welke data leidend is. Oude data die automatisch mee terugkomt kan fouten veroorzaken, verwarring geven of zelfs opnieuw risico’s introduceren.

Kosten en herstelbaarheid

Waar je bijna nooit iemand over hoort is de impact van dataretentie op herstel. Back-ups worden vaak ingericht met een focus op volledigheid. Alles wordt meegenomen, want dat is veilig. Maar bij een grootschalig incident blijkt die volledigheid vooral nadelen op te leveren.

Herstel duurt langer, want er moet meer data door het proces. De kans op het terugzetten van ongewenste of verouderde data neemt toe. En het kost meer capaciteit om alles weer beschikbaar te maken, zeker bij cloudomgevingen waar data-uitstroom en compute per gebruik worden afgerekend.

Je kunt ook nog denken aan meerdere recovery fases. Niet alles hoeft meteen terug. Herstel eerst de kernsystemen en actuele datasets, en archiefdata pas later. Of maak die op een andere manier beschikbaar.

Verwarring structureren

Voor jou als msp een herkenbaar spanningsveld. Klanten willen zekerheid, maar weten niet wat ze precies vragen. De neiging is om dat technisch op te lossen door meer back-ups, langere bewaartermijnen en extra opslag. Daarmee verschuif je het probleem, maar los je het niet op. De meerwaarde zit in het ontwarren van de verwarring. Door begrippen uit elkaar te trekken, voorbeelden te geven en consequent te blijven in taalgebruik. Niet alles is back-up. Niet alles hoeft bewaard te blijven. En niet alles wat bewaard blijft, hoort in een back-up.

Belangrijk is om keuzes expliciet te maken. Dat kan door scenario’s te schetsen. Wat gebeurt er bij een incident? Wat willen we binnen een dag terug hebben, en wat mag later? Wat moeten we wettelijk bewaren, en wat niet? Die gesprekken zijn vaak effectiever dan abstracte beleidsdocumenten.

Back-up is een essentieel onderdeel van databeheer, maar het is geen archief en geen retentiestrategie. Wie dat wel zo gebruikt, bouwt ongemerkt risico’s op. Pak je dit goed aan, dan ga je verder dan de techniek. Help klanten onderscheid te maken, keuzes te maken en die keuzes vast te houden.

 

Volgens Gartner zal in 2027 ongeveer 35 procent van de landen vastzitten aan regio-specifieke AI-platforms, opgebouwd rond eigen data, infrastructuur en regelgeving. Die ontwikkeling komt voort uit geopolitieke spanningen, strengere regelgeving en toenemende aandacht voor nationale veiligheid.

Het onderzoeksbureau Gartner schetst een verschuiving waarbij overheden steeds vaker investeren in eigen AI-stacks, inclusief rekenkracht, datacenters en modellen die aansluiten bij lokale wetgeving, taal en cultuur. Waar platform lock-in nu nog bij circa 5 procent van de landen voorkomt, groeit dat aandeel volgens het bureau in korte tijd naar 35 procent.

Die beweging past binnen bredere discussies over digitale soevereiniteit. Overheden zoeken alternatieven voor dominante, veelal Amerikaanse AI-platforms en leggen daarbij meer nadruk op vertrouwen, culturele aansluiting en controle over data. Regionale en lokale modellen leveren volgens Gartner in uiteenlopende toepassingen meer contextuele waarde, onder meer in onderwijs, juridische omgevingen en publieke dienstverlening, vooral buiten het Engelstalige domein.

De toenemende nadruk op AI-soevereiniteit heeft financiële gevolgen. Gartner verwacht dat landen die een zelfstandige AI-stack willen opbouwen, richting 2029 minimaal 1 procent van hun bruto binnenlands product moeten investeren in AI-infrastructuur. Die investeringen zijn nodig door duplicatie van inspanningen en afnemende internationale samenwerking, met name buiten westerse markten waar zorgen leven over culturele en politieke beïnvloeding.

Regelgeving rond dataopslag, cloudlocalisatie en nationale AI-strategieën versnelt deze ontwikkeling verder. Tegelijkertijd spelen ook zorgen over bedrijfsrisico’s en nationale veiligheid een rol. De combinatie van die factoren leidt tot een snelle uitbreiding van datacenters en zogenoemde AI-fabrieken, die volgens Gartner de ruggengraat vormen van soevereine AI-omgevingen.

In dat krachtenveld ontstaat een concentratie rond partijen die grote delen van de AI-stack controleren, van infrastructuur tot modellen. Gartner ziet daarin de basis voor zeer hoge waarderingen bij een beperkt aantal spelers, gedreven door structurele vraag vanuit overheden en grote organisaties.

Vodafone Business gaat zakelijke klanten in Nederland voortaan een gecombineerd aanbod bieden waarin connectiviteit en digitale werkplekdiensten samenkomen. Naast vast en mobiel internet en telefonie kunnen mkb-bedrijven via Vodafone ook Microsoft 365, Teams, Copilot en aanvullende beveiligingsoplossingen afnemen binnen één pakket.

Met het gezamenlijke aanbod willen Vodafone Business en Microsoft het eenvoudiger maken om digitale werkplekken op te zetten en te beheren via één leverancier. Bedrijven krijgen toegang tot e-mail, documentbeheer, samenwerkingstools en AI-functionaliteit, gecombineerd met de netwerkdiensten van Vodafone. Beheer en facturatie verlopen daarbij via één omgeving.

Volgens beide partijen speelt de bundeling in op de groeiende behoefte aan samenhangende IT- en communicatiediensten. Die behoefte wordt onder meer gedreven door hybride werken, het toenemende gebruik van cloudapplicaties en de opkomst van AI binnen het mkb. De samenwerking richt zich ook op ondersteuning bij de uitrol en het gebruik van deze technologie.

Vodafone staat hierin niet alleen. KPN biedt al langer zakelijke werkplekoplossingen waarin Microsoft 365 is geïntegreerd, onder meer via de KPN EEN MKB Werkplek. Daarmee combineert KPN connectiviteit met productiviteitssoftware en aanvullende IT-diensten.

Ook Odido richt zich op zakelijke samenwerkingsoplossingen, bijvoorbeeld via ondersteuning voor Microsoft Teams-telefonie. Een vergelijkbare bundel waarin Microsoft 365 standaard wordt gecombineerd met vaste en mobiele diensten, zoals bij Vodafone en KPN, maakt daar geen vast onderdeel uit van het portfolio.

Voor msp’s en IT-dienstverleners betekent deze ontwikkeling dat telecomaanbieders een steeds groter deel van de digitale werkplek naar zich toetrekken. Door licenties, connectiviteit en basisbeheer te combineren, positioneren zij zich nadrukkelijker als eerste aanspreekpunt voor mkb-klanten. Dat kan de rol van partners verschuiven richting aanvullende dienstverlening, zoals migraties, maatwerkbeheer, security-advies en adoptietrajecten.

Tegelijkertijd blijft er ruimte voor samenwerking, bijvoorbeeld bij complexere omgevingen of klanten met specifieke eisen rond beheer en compliance. In die gevallen blijven msp’s een belangrijke rol spelen als uitvoerende en adviserende partij.

De samenwerking past daarmee in een bredere ontwikkeling waarbij telecomproviders hun rol verbreden. Naast verbindingen leveren zij steeds vaker complete digitale werkplekken, inclusief cloudsoftware en security. Daarmee proberen zij zakelijke klanten meer samenhang te bieden in hun IT-omgeving en hun positie als centrale leverancier te versterken.

De Europese telecomsector kan in 2026 rekenen op een lichte omzetgroei, maar blijft kampen met structurele uitdagingen. Dat blijkt uit een recente analyse van ING. Volgens de bank groeit de sector volgend jaar naar verwachting met ongeveer 2 procent. Die groei komt vooral voort uit prijsaanpassingen en aanvullende diensten, niet uit een sterke toename van het aantal klanten.

De telecommarkt in Europa geldt al jaren als volwassen. In veel landen is de concurrentie groot en staan tarieven onder druk. Tegelijkertijd blijft de vraag naar snelle en betrouwbare connectiviteit groeien, onder meer door cloudgebruik, hybride werken en digitalisering in het bedrijfsleven. Providers proberen hierop in te spelen met snellere verbindingen, nieuwe bundels en gespecialiseerde zakelijke proposities.

Volgens ING groeit de winstgevendheid van telecombedrijven iets sneller dan de omzet. Operators investeren al langere tijd in kostenbesparing en efficiëntie, onder meer door automatisering van processen, het uitfaseren van verouderde netwerken en het vereenvoudigen van klantenservice. Deze maatregelen moeten helpen om marges op peil te houden in een markt waar prijsverhogingen niet vanzelfsprekend zijn.

Tegelijkertijd blijven de investeringen hoog. Telecombedrijven moeten blijven investeren in glasvezelnetwerken, 5G-infrastructuur en de verdere ontwikkeling van mobiele netwerken. In sommige landen verschuift de focus van grootschalige uitrol naar optimalisatie en kwaliteitsverbetering van bestaande netwerken. Ook de inzet van AI voor netwerkbeheer en klantenservice speelt daarbij een steeds grotere rol.

De concurrentiedruk blijft ondertussen groot. Naast traditionele aanbieders betreden ook alternatieve spelers de markt, bijvoorbeeld op het gebied van glasvezel, satellietcommunicatie en private netwerken. Dit maakt het voor gevestigde partijen lastiger om zich te onderscheiden op prijs alleen. Differentiatie via dienstverlening en betrouwbaarheid wordt daardoor steeds belangrijker.

Daarnaast speelt regelgeving een belangrijke rol. Europese wetgeving rond spectrum, datadeling en digitale infrastructuur beïnvloedt investeringsbeslissingen en samenwerkingsvormen in de sector. Hoewel regelgeving stabiliteit kan bieden, zorgt zij soms ook voor beperkingen op het gebied van schaalvergroting en consolidatie.

Voor de Nederlandse markt zijn de ontwikkelingen herkenbaar. Ook hier investeren aanbieders fors in glasvezel en mobiele netwerken, terwijl tegelijkertijd wordt gezocht naar manieren om de dienstverlening rendabel te houden. Voor zakelijke gebruikers en msp’s ontstaat daardoor een markt waarin connectiviteit steeds meer wordt gecombineerd met aanvullende diensten, zoals security, cloudkoppelingen en managed services.

Volgens ING staat de Europese telecomsector daarmee voor een periode van gematigde groei, waarin efficiëntie, focus en samenwerking bepalend zijn. Grote sprongen voorwaarts blijven voorlopig uit, maar aanbieders die hun netwerk en dienstverlening goed weten te positioneren, kunnen profiteren van de aanhoudende digitalisering in Europa.

Een plan dat niet getest is, bestaat in feite alleen op papier. Dat is een constatering die in de praktijk steeds opnieuw terugkomt. Incident response gaat zelden mis door een gebrek aan tools of technologie. Het loopt vast op aannames, op ontbrekende afspraken, op onduidelijkheid over verantwoordelijkheden of op het simpele feit dat niemand vooraf heeft geoefend hoe een incident zich in het echt ontvouwt.

Bij mkb-omgevingen komt daar nog iets bij. IT wordt vaak met weinig mensen gedaan, veel functionaliteit is ondergebracht in SaaS, en bedrijfskritische systemen zijn vaak gegroeid in plaats van ontworpen. De business wil ondertussen vooral door. In die context heeft een uitgebreid draaiboek weinig waarde als het niet uitvoerbaar is op het moment dat het nodig is.

Haalbare incident response zit daarom niet in volledigheid of perfectie, maar in herkenbaarheid en herhaalbaarheid. In weten wat je doet als het misgaat, met de mensen en middelen die er op dat moment zijn.

Haalbare incident response voor het mkb

Voor mkb-klanten betekent haalbare incident response vooral dat je snel overzicht krijgt en keuzes kunt maken. Niet alles hoeft tegelijk opgelost te worden. Binnen korte tijd moet duidelijk zijn wat geraakt is, welke systemen of processen direct risico lopen en waar ingrijpen het meeste effect heeft. Dat vraagt om beslissingen in plaats van analyses.

In de meeste incidenten begint dat bij identiteit. Compromittering van accounts, misbruik van sessies, verkeerd ingestelde toegangsrechten of zwakke authenticatie vormen vaak het startpunt. Dat betekent dat je snel moet kunnen zien wie waar toegang heeft, welke sessies actief zijn en wat recent is veranderd. Zonder dat inzicht doe je vooral aan symptoombestrijding.

Daarnaast moet er een set basisacties zijn die onder druk uitvoerbaar blijft. Endpoints isoleren, accounts blokkeren of resetten, verdachte mailregels uitschakelen, logs veiligstellen, back-ups beschermen. Dat zijn geen bijzondere verrichtingen, maar je moet ze wel oefenen. Een incident is niet het moment om procedures te lezen of uit te zoeken waar je moet klikken.

Ten slotte vraagt haalbare incident response om een minimale voorbereiding. Dat betekent niet dat alles vooraf dichtgetimmerd moet zijn, maar wel dat cruciale toegang geregeld is. Zonder adminrechten, logging en een globaal overzicht van de omgeving verandert elk incident in een zoektocht, en die kost altijd meer tijd dan je denkt.

Voorbereiding zinvol?

De grens van voorbereiding ligt niet bij wat technisch mogelijk is, maar bij wat tijdens een incident daadwerkelijk tijd oplevert. Alles wat je vooraf regelt moet zich terugbetalen in snelheid en duidelijkheid op het moment dat het nodig is. Voor veel mkb-omgevingen zit die voorbereiding vooral in de basis. Identiteit goed ingericht, MFA afdwingbaar, beheeraccounts afgebakend, logging op kernsystemen actief en back-ups die niet alleen bestaan, maar ook getest zijn. Dit zijn geen specifieke incident response-maatregelen, maar voorwaarden om überhaupt te kunnen reageren.

Daarbovenop kun je versnellers aanbrengen die specifiek helpen tijdens een incident. Denk aan standaardprocedures per type incident, vaste communicatielijnen, vooraf ingerichte scripts voor isolatie of resets en een duidelijke afspraak over wie beslist als er impactvolle keuzes gemaakt moeten worden.

Wat vaak weinig toevoegt, is het blind overnemen van een enterprise-aanpak. Volledige forensische tooling op elk systeem, uitgebreide monitoring die niemand interpreteert of complexe escalatiestructuren die in de praktijk niet worden gevolgd. Dat kan waardevol zijn in grotere omgevingen, maar in het mkb wordt het al snel te zwaar om goed te onderhouden.

Uitvoering

Incident response heeft altijd twee gezichten. Voorbereiding is rationeel en planbaar. Uitvoering is rommelig, tijdgevoelig en vol verrassingen. Als je voorbereiding te ver afstaat van de uitvoering, bouw je een museumstuk.

Voorbereiding die je wél wilt

1) Scope en assets die ertoe doen
Je hoeft niet alles te inventariseren, maar je wilt wél weten welke systemen bedrijfsprocessen dragen. Een beknopte lijst is genoeg: M365 tenant, identities, endpoints, file shares, back-upomgeving, kernapplicaties (ERP, planning, kassa, EPD, wat dan ook), DNS, en de netwerktoegangspunten (firewall, VPN, remote management).

2) Identiteit als startpunt
In veel incidenten begint het bij accounts: phish, token theft, MFA fatigue, misbruik van legacy auth, of misconfiguraties in conditional access. Voor IR betekent dat: zorg dat je weet waar je identities beheert, hoe je sessies en tokens intrekt, hoe je admin-rollen controleert, en hoe je auditlogs snel boven water krijgt.

3) Logging die bruikbaar is
Logs die niemand kan lezen zijn decoratie. Leg vooraf vast: waar loggen we wat, hoe lang bewaren we het, wie kan erbij, en wat zijn de minimale bronnen. Voor het mkb is minimaal vaak al een grote sprong vooruit: M365 audit logs, Entra sign-in logs, endpoint alerts, firewall events, back-up events, en change logs van beheerplatformen.

4) Back-up en herstel als onderdeel van IR
Back-ups zijn geen IR-plan, maar zonder herstel ben je aan het dweilen met de kraan open. Belangrijker dan weten of er back-ups zijn, is weten we hoe snel we terug kunnen, en wat de afhankelijkheden zijn. Test herstel niet alleen op bestanden, maar ook op identiteit en configuraties, denk aan M365 restore scenario’s, conditional access, en sleutelaccounts.

5) Toegang en sleutels in orde, ook als de boel brandt
Als je RMM-account zelf is gecompromitteerd, kun je niet even inloggen om dingen te fixen. Voorbereiding betekent: break-glass accounts, offline bewaarde recovery keys, en een procedure om beheerkanalen gecontroleerd te pauzeren.

Rollen maken het verschil tijdens een incident

Zonder duidelijke rolverdeling ontstaat chaos. Dat geldt zeker in mkb-situaties, waar mensen meerdere petten op hebben en lijnen kort zijn. Er moet iemand zijn die de regie voert en beslissingen neemt. Niet per se de beste techneut, maar wel iemand die overzicht houdt en prioriteiten stelt. Daarnaast is een technische verantwoordelijke nodig die de uitvoering coördineert en bewaakt dat acties samenhangen.

Communicatie verdient een eigen rol. Eén aanspreekpunt richting de klant voorkomt ruis en misverstanden. Hetzelfde geldt intern. Tijdens een incident is het funest als iedereen tegelijk communiceert zonder afstemming.

Documentatie wordt vaak onderschat, maar is cruciaal. Vastleggen wat er gebeurt, wanneer beslissingen zijn genomen en welke acties zijn uitgevoerd, is nodig voor evaluatie, aansprakelijkheid en eventuele meldplichten. Dat is geen administratieve last, maar onderdeel van professioneel handelen.

Aan klantzijde is mandaat essentieel. Er moet iemand zijn die mag besluiten om systemen uit te schakelen, processen stil te leggen of externe partijen in te schakelen. Zonder die beslissingsbevoegdheid blijft een msp hangen tussen techniek en bestuur.

Externe partijen betrek je niet ad hoc

Bij veel incidenten is externe hulp nodig. Forensische specialisten zijn zinvol als er sprake is van grote impact, mogelijke datadiefstal of juridische gevolgen. Dan moet wel duidelijk zijn welke data beschikbaar is en hoe bewijs veiliggesteld wordt.

Cyberverzekeraars stellen vaak eisen aan melding en opvolging. Soms sturen ze hun eigen specialisten. Wie dat niet vooraf heeft uitgezocht, verliest tijd op een moment dat snelheid telt.

Leveranciers van kernsystemen spelen eveneens een rol. Hostingpartijen, applicatieleveranciers en netwerkproviders moeten snel bereikt kunnen worden, met duidelijke afspraken over verantwoordelijkheden.

Ook meldplichten verdienen aandacht. Of er sprake is van een datalek, wie dat beoordeelt en wie communiceert met toezichthouders en betrokkenen, moet geen discussiepunt zijn tijdens het incident zelf.

Incident response hoeft niet dramatisch gebracht te worden. Het helpt om het te benaderen als onderdeel van continuïteit. Net zoals back-ups, monitoring en onderhoud. Door te werken met herkenbare scenario’s wordt het onderwerp concreet zonder angst aan te wakkeren. Verdachte inlogpogingen, vreemde mailboxregels of plotselinge encryptie zijn situaties die organisaties herkennen. Dat maakt het gesprek praktisch.

Oefenen hoort bij beheer

Oefenen hoeft niet duur te zijn. Het hoeft ook niet groots. Wat je wilt is routine opbouwen.

1) Tabletop-oefening per kwartaal of halfjaar
Een uur, maximaal anderhalf, één scenario. Wie doet wat, wie belt wie, welke informatie ontbreekt, welke beslissingen zijn lastig. Resultaat: een korte lijst verbeterpunten.

2) Mini-runbooks testen tijdens regulier onderhoud
Test bijvoorbeeld: kunnen we binnen 10 minuten een endpoint isoleren, kunnen we binnen 15 minuten admin-rollen en recente role assignments exporteren, kunnen we binnen 20 minuten alle actieve sessies van één account intrekken.

3) Hersteltests koppelen aan back-upbeheer
Niet alleen terugzetten, maar ook: klopt de toegang, werken afhankelijkheden, is er geen herinfectie, en kunnen we gecontroleerd terug online?

4) Contact- en toegangstesten
Klinkt suf, maar het werkt: bel eens het noodnummer, controleer of de contactpersoon nog klopt, check of break-glass accounts werken en gelogd worden, en check of je offline bij je klantprofiel kunt.

Wat msp’s hiermee kunnen doen

Een eenvoudige opbouw met verschillende niveaus werkt vaak beter dan één allesomvattend aanbod. Begin met afspraken, basisvoorbereiding en oefenen. Breid dat uit met scenario’s, betere monitoring en externe ondersteuning waar dat past. Het mkb hoeft niet alles tegelijk. Maar een aanpak die getest is en meegroeit met de omgeving, maakt het verschil op het moment dat het echt misgaat.

 

Cybercriminelen zetten steeds vaker legitieme IT-beheertools in om langdurige en nauwelijks zichtbare toegang tot netwerken te krijgen. Dat stelt KnowBe4 Threat Labs op basis van nieuw onderzoek naar een aanvalscampagne waarbij Remote Monitoring and Management-software wordt misbruikt als permanente achterdeur.

De analyse beschrijft een campagne waarin aanvallers bewust afzien van klassieke malware of ransomware. In plaats daarvan gebruiken zij RMM-tools die normaal gesproken onderdeel zijn van regulier IT-beheer. Na het buitmaken van geldige inloggegevens installeren zij deze software zodanig dat volledige en blijvende controle ontstaat, zonder direct op te vallen bij beveiligingsoplossingen.

De aanval start met een gerichte phishingmail die is vermomd als uitnodiging van Greenvelope, een legitieme dienst voor digitale uitnodigingen. De berichten bevatten weinig verdachte kenmerken en leiden slachtoffers naar een nagemaakte inlogpagina. Daar worden accountgegevens onderschept. Met deze geldige credentials loggen aanvallers vervolgens in en installeren zij RMM-software zoals GoTo Resolve en LogMeIn.

Volgens de onderzoekers vormt juist dat tweede deel van de aanval een belangrijk probleem. De gebruikte software is rechtsgeldig ondertekend door de leverancier en maakt gebruik van de officiële infrastructuur van die partijen. Verkeer dat hierdoor ontstaat, wijkt nauwelijks af van regulier beheer en wordt daardoor vaak niet als verdacht aangemerkt. Het resultaat is een persistente toegang met vergaande rechten binnen het netwerk, zonder duidelijke alarmsignalen.

KnowBe4 plaatst de bevindingen in een bredere ontwikkeling waarin aanvallers steeds vaker vertrouwen op living-off-the-land-technieken. Daarbij worden bestaande, vertrouwde tools ingezet om detectie te vermijden en de verblijfsduur in een netwerk te verlengen. RMM-software is daarbij aantrekkelijk, omdat deze standaard is ontworpen voor permanente toegang en beheer op afstand.

Het bedrijf stelt dat deze aanpak vraagt om een andere kijk op beveiliging, waarin gebruikersgedrag een centralere rol krijgt. Onder de noemer Human Risk Management combineert KnowBe4 gedragsdata, telemetrie en actuele dreigingsinformatie om per medewerker een dynamisch risicoprofiel op te bouwen. Op basis daarvan kunnen maatregelen en training gerichter worden ingezet.

Een belangrijk element daarbij is het vertalen van echte aanvalscampagnes naar realistische, maar onschadelijke simulaties. Door medewerkers bloot te stellen aan aanvallen die sterk lijken op actuele dreigingen, zoals de Greenvelope-campagne, ontstaat volgens het bedrijf meer aandacht voor subtiele signalen die bij traditionele phishingtraining vaak ontbreken.

James Dyer, Threat Intelligence Lead bij KnowBe4, stelt dat het misbruik van legitieme IT-tools traditionele beveiligingsmodellen onder druk zet. Volgens hem ontstaat effectieve verdediging pas wanneer dreigingsinformatie direct wordt gekoppeld aan concreet gebruikersgedrag en training, in plaats van uitsluitend aan technische detectie.